Rond 1840 waren de Odijkers het helemaal zat: overal in het Kromme Rijngebied hadden de gereformeerde kerken een eigen kerkraad met ouderlingen. En overal mochten de lidmaten zelf hun dominee uitkiezen. Maar niet in Odijk.

De Odijkers waren het zat

Geen kerkraad betekende dat Odijkse gemeenteleden hun eigen dominee niet mochten kiezen. Altijd maakten de dominees van de streek de dienst uit. In hun vergaderingen in Wijk bij Duurstede (de zogenaamde classis) werd dat bepaald. Maar de Odijkse protestanten wisten toch zelf wel welke dominee ze wilden?

In andere gemeenten waren in de voorgaande eeuwen al kerkenraden ingesteld. Die mochten al zelf hun predikanten beroepen. Sommige gemeenten al twee eeuwen en Bunnik bijvoorbeeld al 50 jaar.

Het was niet zo gek dat de andere dominees van de streek Odijk geen kerkraad gunden. De meeste lidmaten konden de financiële of kerkbestuurlijke zaken gewoon niet behartigen. Daardoor waren er nauwelijks voldoende mannen om de verschillende kerkfuncties te vervullen. Want men moest er ook voor waken dat familieleden elkaar konden bevoordelen in de Odijkse kerk.

De grote verandering in 1843

Al honderden jaren werden in Odijk kerkmeesters of kerkvoogden en diakenen benoemd. Maar in 1843 leken er toch voldoende lidmaten te zijn om ook twee ouderlingen te kunnen benoemen. Odijk was daarmee het laatste dorp in het Kromme Rijngebied dat een kerkenraad mocht installeren.

Na enige discussie waren de aanwezige lidmaten het erover eens dat er voldoende mannen vrij zijn van ‘de geest van De Vriendt.

Daarmee bedoelen ze waarschijnlijk dat er voldoende fatsoenlijke lidmaten te vinden waren om ouderling te kunnen zijn. De Langbroekse koopman Herman de Vriend was toen burgemeester van Odijk (en Bunnik en Werkhoven). Maar hij was ook van dubieus gedrag: hij werd door een rechtbank veroordeeld voor fraude en zat een straf uit in de Utrechtse gevangenis.

Maar goed: de kerkraad.

Odijk stuurde een verzoek aan de classis: de vergadering van alle dominees uit het Kromme Rijngebied.

Dat was niet de eerste keer. Al veel vaker was het verzoek van de Odijkers afgewezen. Maar op 14 november 1843 schreef de kerkvergadering van predikant, kerkvoogden en diakenenweer aan de classis dat Odijk een kerkraad wilde installeren.

Het verzoek was ondertekend door de kerkvoogden of kerkmeesters en diakenen. En door de twee beoogde ouderlingen: Gerrit de Kruif, één van de grootste boeren van het dorp en klompenmaker Klaas van der Vlist.

En dan in 1844: de eerste kerkraad van Odijk

In de volgende vergadering, op 15 december, maakte de dominee bekend dat de classis toestemde. Op 18 januari 1844 verschenen de predikanten van Amerongen en Leersum als vertegenwoordigers van de classis om de beide ouderlingen te installeren.

De kerkraad kon onmiddellijk aan de slag: predikant Van de Ven was beroepen naar Noordschermer en de kerkraad kon nu zelf kiezen uit de beschikbare dominees.

Op 29 januari 1844 was het dan zover. De kerkraad ontsloeg de classis van alle verplichtingen met de zogenaamde akte van decharge en voerde voortaan zelf het bewind over de kerk en haar functionarissen.

Alle dorpen in het Kromme Rijngebied hadden nu een kerkraad.

0 reacties

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.